~  r a g a n o r c k  ~


D e  T i e n  T o r e n s
( door Santetjan )

Klam en koud zijn de laatste vingers mist, de voorbodes van een duistere nacht: boven de donkere schaduwen van de hoge torens verschijnt noch de maan, noch een enkele ster. Uit sommige ramen, ver boven haar kleine gestalte, schijnt wat lamplicht, en hier en daar belichten lampen, bevestigd aan de torenmuren, een deel van de glibberige straatkeien. 

Tussen de torens ratelen af en toe koetsen, de paardenhoeven een donderend geraas op de keien. Een paar lieden in lange jassen en hoge hoeden, en af en toe een kanten kraag, lopen alleen of met een kleine groep schijnbaar met een doel tussen de centra van wetenschap, magie, en kwakzalverij die de beroemde Tien Torens zijn. Te midden van de oorspronkelijke tien die nu het centrum vormen van de gevierde universiteit van Raganorck - een toren elk voor wis- en natuurkunde, theologie, magie, alchemie, schone kunsten, oude talen, filosofie, geneeskunde, retoriek en politicologie, rechten, en geschiedenis - zijn vele andere torens verrezen, zowel om de studenten en professoren te herbergen, als om woonruimte en laboratoria te scheppen voor onafhankelijke magiers en alchemisten. Geen echter van de nieuwe torens bereikt in hoogte de oude tien, gemaakt van gepolijst zwart steen, waarin hoge ramen met ijzeren rasters open zijn gelaten, en op de hoge pieken waarvan de altijd aanwezige gargouilles zitten, loerend naar de vijanden van kerk en stad.

In de wirwar van straatjes tussen de torens verpozen enkele studenten zich, drinkend en lachend, en met onvaste tred gaand naar hoeren van disputabele prijs en kwaliteit; een andere kant op gaan enkele van de geachte doctoren en magisters, even dronken, maar met meer geld te besteden voor hun pleziertjes. Het merendeel van de studenten echter is bezig met experimenten, studeert, of viert feest binnen de gladde zwarte muren; en het merendeel van de staf bestudeert oude teksten en doet aan magie die het daglicht niet verdragen kan.Ver boven hen krassen de raven van de grote klokketoren, en krijsen enkele gargouilles.

Tussen de torens zijn ook lagere gebouwen gelegen: kroegen en bordelen; toekomstvoorspellers en tatoeerders; en allerhande kwakzalvers, op wie de studenten in het openbaar spugen maar bij wie zij in hun lagere jaren al hun middelen kopen om een vrouw het hoofd op hol te brengen of een docent het leven zuur te maken.
 
 

.::.. terug ..::.